Om te volgen
Geplaatst | 15 mei 2012 | Reacties uitgeschakeld
Tekstschrijvers, welke sites en schrijvers volgen jullie om bij te blijven in je vakgebied? Ik heb een paar tips. De websites die ik wekelijks check op nieuws:
- Tekstblog: op het snijvlak van tekst en communicatie
- het Proflab van Redactieprofs: doorgewinterde schrijvers met uitstekende tips
- Schrijven voor internet: het jaloersmakend goede blog van @aartjan
- Frankwatching: online communicatie in de breedste zin. Veel dingen sla ik over, maar om bij te blijven is het superhandig.
En iets minder vaak:
- Tekstnet, de beroepsvereniging van tekstschrijvers
- Logeion
- Krek
- Justconnecting
Meneer!
Geplaatst | 4 mei 2012 | Reacties uitgeschakeld
Ik parkeer de auto midden op de stoep. Nergens anders plek en ik moet even vier zakken kleding droppen bij de Emmaus. De sigarettenrokende vrouw met een vlekkerige fleecetrui ziet de bui al hangen en loopt op de auto af. Nu gaan we het krijgen.
“Meneer! Ja misschien moet ik me er helemaal niet mee bemoeien hoor…”. En ze zwijgt, wachtend op mijn antwoord.
Achteraf weet ik altijd wel wat ik moet zeggen. Bijvoorbeeld:
“Wat is er? Wilt u een punt maken of niet? Zo ja: zeg dan wat er is. Zo nee: zeg dan helemaal niets, ook geen ‘meneer’ en al helemaal niet ‘misschien moet ik me er helemaal niet mee bemoeien hoor.’ Bemoei je er vooral lekker mee. Of niet, maakt mij niet uit. Maar wees duidelijk!”
In plaats daarvan zeg ik natuurlijk iets halfslachtigs.
“Is de Emmaus niet open? Want ik kom alleen maar even vier zakken afleveren.”
Kijk, die zit. Zij werkt overduidelijk bij de Emmaus. Ik kom heel nobel VIER ZAKKEN afleveren. Je ziet haar terugkrabbelen.
“Jawel hoor.” Gewoon open dus.
Ik erger me kapot. Zeg dan niks. Wees een beetje vriendelijker. Vraag ten minste wat ik kom doen. Zoiets. Nu kan ik niet meer terug, die zakken moeten ingeleverd. Het liefst had ik ze direct in het dichtsbijzijnde kanaal gepleurd. Zoiets zou ik nooit doen natuurlijk, maar het liefst HAD ik het gedaan. Ondankbare fleece!
De kleren leg ik in winkelwagens (deze fungeren bij de Emmaus in Utrecht als Postvak IN). Als ze in de wagentjes ploffen, ontwaar ik een milde bierlucht. De kleren zijn onverkocht spul van de Vrijmarkt. Daar is vast iets misgegaan, en het was nog lang gezellig.
Ik doe of mijn neus bloedt. Kleren inleveren is mooi genoeg, besluit ik. Stop die natte zak lekker in de wasmachine en doe meteen die broddelfleece erbij! Ik maak me uit de voeten. Eén keer ‘meneer’ naar mijn hoofd geslingerd krijgen is genoeg. Meer kan een mens niet aan.
Staat die band zo slap?
Geplaatst | 1 mei 2012 | Reacties uitgeschakeld
Zij zit achterop, terwijl hij zigzagt door de straat.
“Staat die band zo slap?”
“Eeh ja, ik heb hem niet meer opgepompt.”
Eeh nee, hoor ik de rest van de straat denken. De rest van de straat, dat zijn vier voorbijgangers inclusief mijzelf.
Hij loog glashard. Je gaat niet zeggen:
“Eeh nee, maar blijkbaar heb jij zo’n forse reet dat ik nog maar net mijn evenwicht kan bewaren. Ga nou effe niet mijn net opgepompte afzeiken.”
Liefdevol en stug fietste hij door. Zoals het hoort.
Bijzondere communicatie boodschap
Geplaatst | 13 april 2012 | Reacties uitgeschakeld
Ik krijg me nu toch een mailtje van de NS! Die vroeg om een reactie, ik kon het niet laten. Een enorme zeur-reactie van een tekst-o-fiel. Terwijl ik me nog zo heb voorgenomen: geen zeur-reacties over communicatiemissers! Maar ja. Deze… kon ik echt niet laten schieten.
De Mail van De NS:
Geachte heer Van Pul,
Via het door u of uw contactpersoon aan NS Zakelijk opgegeven e-mailadres willen wij u vanaf nu direct informeren over belangrijke aanpassingen met betrekking tot onze abonnementen, dienstregeling of dienstverlening, zonder dat u hoeft te wachten op informatie via uw contactpersoon. Zo kunnen we u zo snel en efficiënt mogelijk van relevante informatie en uitleg voorzien. Mogelijk ontvangt u al een nieuwsbrief van ons op dit e-mailadres.
Privacy- en permissiebeleid
Wij gaan zorgvuldig om met uw e-mailadres. Over het privacy beleid van NS leest u hier meer.
Beheer over de communicatie van NS Zakelijk
Wilt u toch liever geen informatie van NS Zakelijk ontvangen? Dan kunt u zich hier afmelden. Afmelden is ook altijd mogelijk via de link onderaan in de communicatie boodschap. U bepaalt dus zelf of u onze informatie wilt blijven ontvangen.
Het kan zijn dat u ook een Mijn NS-account heeft, houdt u er rekening mee dat u hier ook uw e-mail informatievoorkeuren kunt aanpassen.
Heeft u vragen? Neemt u dan contact op met de contactpersoon binnen uw bedrijf. U kunt ook op werkdagen van 8.30 tot 17.00 uur bellen met Klantenservice NS Zakelijk op 030-300 11 11 of mailen naarNSZakelijk@ns.nl.
Met vriendelijke groet,
Arjen Huizinga
Directeur NS Zakelijk
De Reactie, alinea 1 t/m 3 (de rest zal ik jullie besparen, ik houd namelijk óók niet van lange mails).
Beste Arjen,
Krijg ik nu een mail van de NS om mij te melden dat ik voortaan mail krijg van de NS? Een mail die mij daarnaast meldt dat ik ‘er rekening mee moet houden dat ik via Mijn NS mijn account-voorkeuren kan aanpassen’?
Het is ongetwijfeld beroepsdeformatie van mijn kant, maar deze ‘communicatie boodschap’ – zijn er andere boodschappen, naast die in de supermarkt? - slaat op een paar punten de plank mis. Ik vraag mij meteen af:
- Moet ik iets doen?
- Wat wil de NS mij aanbieden waar ik echt iets aan heb?
- Als ik niets hoef te doen of de NS biedt mij niets nuttigs aan, waarom krijg ik deze mail dan?
Enzovoort.
Zo, dat zal ze leren. Of niet.
Terug op het nest
Geplaatst | 30 maart 2012 | 2 reacties
Morgen wandel ik Drift 21 binnen met een keyboard en accordeon onder de arm. Niet alleen daarom wordt het een zware middag. Ik ga oud-studiegenoten Nederlands treffen op de alumnidag. Strikt genomen ben ik geen neerlandicus, maar een algemene letteraar. Soit! We zijn toch welkom, als Great Gonzo’s. Dat wordt peentjes zweten. Het is de schoolreünie – zijn we allemaal een beetje maatschappelijk geslaagd intussen? – maar dan dwingender – wie zijn die jongens, wat hebben ze met Nederlands te maken enneh die muziek, moet dat nou zo nodig? We spelen ook nog eens tijdens de borrel, iets wat ik me jaren geleden heb voorgenomen om Nooit. Meer. Te. Doen. Spelen op borrels, paarlen voor de zwijnen. Sta je daar te ploeteren en niemand die luistert. Maar ja… het is zo leuk hè? De muziek is goed. Er is bier. En wie weet luisteren ze wél. Dat zou op zijn minst beleefd en feitelijk rechtvaardig zijn.
Coach
Geplaatst | 28 februari 2012 | Reacties uitgeschakeld
Wie coach jij zoal? Coach zijn we immers allemaal. Een beetje lullen over een vak waar je net iets meer van af weet dan een ander, en waarin je net iets meer hebt meegemaakt dan een ander. Beetje vragen stellen en niet zelf het antwoord hoeven geven, want dat is het mooie van coachen: je mag geen oplossingen bieden. Die ander moet het zelf ontdekken. Coachen. Iedereen met een paar rimpels onder zijn ogen en twee oren aan zijn hoofd kan het. De rimpels zijn essentieel. Ervaring uitstralen is belangrijker dan ervaring hebben.
Sorry coach (Ja, ik heb er ook één. Gewoon zelf iets beslissen is er niet meer bij tegenwoordig.).
Dat iedereen zichzelf coach noemt, interesseert me helemaal niks. Het beestje moet een naam hebben. Zelf transformeer ik in een handomdraai tot schrijfcoach (= docent schriftelijke communicatie), muziekcoach (= ouwehoerend musicus) of gezinscoach (= ‘Kom op, je kunt het, rondje 32 door de supermarkt!’). Alleen een enorme loser noemt zichzelf nog bakker. Broodcoach, dan bén je tenminste iemand.
Dit weekend zag ik een aankondiging voor een georganiseerde ochtendwandeling langs de Vecht. Onder begeleiding van een natuurcoach. Ik liet het woord door mijn hoofd echoën.
Natuurcoach.
Natuurcoach.
Natuurcoach.
Het moet niet gekker worden. Die natuur redt zich prima zelf. Een beetje schreeuwen tegen een eik heeft geen zin, die blijft minzaam in zijn eigen tempo naar het licht groeien. De beste invulling van de functie natuurcoach lijkt mij dan ook: achterover leunen en verder overal afblijven. En als je het dan écht niet kunt laten: stel die boom af en toe een vraag. Maar pas op je valkuil coach: geen antwoorden invullen, de natuur moet het allemaal zelf ontdekken.
Dooi-aanval
Geplaatst | 14 februari 2012 | Reacties uitgeschakeld
Oorlog en strijd zijn een belangrijk onderdeel van onze taal. Als we een strategie bepalen, een markt veroveren, de degens kruisen, zijn we behoorlijk gewelddadig bezig. Voetbal? Oorlog!
Gisteren stond weer een oorlogszuchtig woordje op mijn vizier. Het zat al een tijdje in de lucht, doemdenkers hadden het al aangekondigd. Ik stapte met mijn dochter naar buiten om naar de kinderopvang te lopen en daar werd ik overvallen door een nietsontziende dooi-aanval.
De dooi-aanval is een bijzondere in het rijtje oorlogstaal. Ik ga hier niet de hele etymologie uitpluizen, maar ik kan me voorstellen dat het oorspronkelijk ‘dooi-inval’ was. Een dooi die invalt is overigens niet minder strijdlustig dan een dooi die aanvalt.
De dooi-aanval roept een paradoxaal beeld op en daarom is het een bijzonder woord. Een gemiddelde strategische of tactische aanval voer je uit om iets te veroveren. Het idee achter een tank-aanval is dat de heuvel aan het eind van de dag vol staat met tanks. De luchtaanval heeft als doel dat de lucht uiteindelijk het territorium is van de aanvallende partij, die daar vervolgens dagelijks vrijelijk in kan rondvliegen. Een grondoffensief van de NAVO betekent dat die bewuste grond binnen niet al te lange tijd vol staat met NAVO-soldaten.
Maar nu de dooi-aanval. Binnen afzienbare tijd (wat een snelheid!) nadat de verzengende dooi zijn offensief is begonnen, is alles weg. Er is niets meer, ook geen dooi. De dooi offert zich op om het vuile werk op te knappen en verdwijnt daarna voorgoed. Logistiek gezien een briljante actie (geen gedoe met oorlogsslachtoffers en terugtrekkende troepen) maar vooral: ontstellend mooi.
Wat werkt, en wie
Geplaatst | 7 februari 2012 | Reacties uitgeschakeld
Jaaaaaaren geleden richtte ik met een collega een internetredactie op. Wij waren beide net aangenomen als webredacteur. Het waren kakelverse functies; er was eindelijk tijd en budget voor een goede inhoudelijke invulling van de website van de organisatie.
Die organisatie werkte behoorlijk verkokerd, zoals dat bij alle organisaties van meer dan 500 werknemers een onvermijdelijkheid lijkt te zijn. De internetredactie moest een evenredige vertegenwoordiging zijn van verschillende zichzelf ongeveer even belangrijk vindende hoofdafdelingen. Een redactie van zeven man, die overigens voor het grootste deel vrouw waren, werd het.
In de praktijk deden drie à vier man/vrouwen het werk. De vierde man beschouwde zich daarbij ook nog eens ‘niet echt’ onderdeel van de redactie, maar hoorde meer bij de technische web-organisatie die ‘in opdracht van onder meer de webredactie structurele verbeteringen doorvoerde aan de website.’
We overlegden wat af (met zijn zevenen) en deden daarnaast bijzonder nuttig werk (met zijn vieren).
Na twee jaar was de kern van drie/vier het beu. Even goede vrienden iedereen, maar als je zitting neemt in een redactie en je komt zelden opdagen omdat ‘je geen tijd hebt’, ‘het geen prioriteit heeft’, ‘je niet wist of de vergadering eigenlijk nog wel doorging’, ‘je baas vroeg of je nog even iets wilde afmaken’, tja. Als je bovendien die paar keer dat je er wél bent in slaap valt, tja.
Bij de eerstvolgende vergadering deden we een afslankvoorstel. We wilden met drie/vier man/vrouw verder gaan. Natuurlijk kon iedereen altijd met vragen of voorstellen bij ons terecht, bladiebla, maar wij zouden dat dan verder met de redactie oppakken.
Er werd wat glazig rondgekeken, iemand schrok wakker.
‘O, dus ik ben nu geen lid meer van de internetredactie?’
Daar kwam het wel op neer. En dat was het. Zonder protest werd het nieuwe voorstel aangenomen en konden we verder met onze afgeslankte redactie, een geöliede machine die volgens mij nog steeds prima functioneert. Bijna de helft van deze club had er de eerste twee jaar net zo goed níet bij kunnen zitten. Is dat gechargeerd? Nee. Is het erg? Niet echt, zo’n redactie moet zich na de oprichting een beetje vormen, er komen wat mensen, er gaan wat mensen, zoiets.
Ik moest weer even aan dit voorval denken toen ik bij een bijeenkomst zat over bezuinigingen. De oplossing om bezuinigingen door te voeren is vaak: reorganiseren. Een deelnemer aan de bijeenkomst merkte op: met bezuinigingen kun je je werkprocessen efficiënter maken. Als organisatie ben je verplicht om steeds naar je processen te kijken.
Wat je niet kunt oplossen met een reorganisatie is de manier waarop mensen werken. Iedereen is eigenlijk ook verplicht om na te denken over zijn eigen bijdrage. Wat voor meerwaarde heb ik voor de organisatie? ‘Maar ja,’ verzuchtte hij ‘een medewerker zal niet zo snel uit zichzelf zeggen: mijn bijdrage is niet meer nodig.’
En zo is het maar net.
Del del del del del
Geplaatst | 28 november 2011 | 1 reactie
“Weet je vroegejjj…”
Zijn accent was oer-Rotterdams. Schrijven kon hij van geen kanten, vond-ie. En als hij het deed, dan deed hij er heel erg lang over. Tegenwoordig ging alles altijd veel te snel.
“En de mensen onthouden niks meer hè? Ze zoeken alles op en het wordt vluchtig. De kennis verdwijnt. Daar maak ik met wel druk over, ja.” Mijn gesprekspartner is een deelnemer het LPB-congres, van het Landelijk Platform voor Buurt- en Wijkgericht Werken. Het serieuze deel van dag 1 was achter de rug, tijd voor borrel en feest. En serieuze gesprekken.
“Maar vroeger mócht dat ook, sterker nog, je móest heel langzaam schrijven. Want daar zat je met je typmachine en je typlint en je was als de dood dat je een fout maakte, want dan kon alles weer helemaal overnieuw. Eerst moest je die zin heel mooi in je hoofd vormen en je moest ook al weten wat erna kwam, want anders was je de hele tijd voor niks aan het tikken.”
Zo was dat.
Mijn typlessen kreeg ik in een stoffig lokaal op een semi-automatische machine. Daar zat al een backspace-knop op, maar die gebruikte je liever niet. Het thuis oefenen op de machine ging niet thuis, maar bij opa en oma, want die hádden tenminste een typmachine. Vroegejjj.
Ik ben geen heilig boontje. De delete-knop is mij dierbaar. Ik ben van het type “eerst typen dan denken”. Globaal zit er iets in het hoofd, aan de slag. O nee, toch niet zo. Del del del del del, opnieuw. Na twee alinea’s kom ik erachter: het accent van dit stuk verschuift, het begin moet toch anders. Del del del del del.
Uit een onderzoek blijkt trouwens dat het (vaker) herschrijven van de beginregels een eigenschap is van gevorderde schrijvers. Leve de delete-knop, schouderklop.
Toch zou ik het een mooie oefening vinden. Typen, of schrijven, zónder dat je je tekst mag corrigeren. Van begin tot eind uitdenken. De structuur moet kloppen. Eerst zin 1, dan zin 2, alles netjes achter elkaar. Niet helemaal de goede volgorde gekozen? Jammer! Begin maar opnieuw of stop ermee. Wat een mooie, overdachte teksten zou dat opleveren. Je voelt de inspanning, onomkeerbaarheid en aandacht die de schrijver in zijn zinnen heeft gelegd.
Ik denk nog even door. SMS? Twitter? Facebook? Als je eraan begint, afmaken zonder correctie. Lullige berichtjes die je toch maar niet besluit te sturen zijn verleden tijd. Ineens kom je er achter hoe achteloos, ongeconcentreerd en slapjes je zelf al die tijd bezig bent met typen en corrigeren. En hoe achteloos anderen dit doen, want je ziet niet meer hun gecorrigeerde, maar hun ongezouten en foute teksten.
Ik schat dat ik tijdens het schrijven van dit artikel veertig keer heb moeten corrigeren vanwege slordig typen en daarnaast zeker twintig, herstel dertig keer woorden heb tussengevoegd, weggelaten of aangepast.
Dat hoort blijkbaar bij de ervaren schrijver. We kunnen niet anders meer. Maar of het er allemaal beter van wordt? Probeer het gewoon eens: vertraag je schrijven, denk na, heb aandacht voor je woorden en je zinnen, corrigeer zo min mogelijk.
Zou je er beter van gaan nadenken? Worden de zinnen mooier? Levert het tijd op? Zou ik mijn eigen teksten beter gaan onthouden? Ik ga het doen. En laat jullie weten wat het oplevert.
Mild in mijn hoofd
Geplaatst | 18 oktober 2011 | 1 reactie
Leg je de lat te hoog als je van studenten verlangt dat ze fatsoenlijk spellen? Ik vind van niet. Maar de praktijk is gekleurd in grijze tinten. We mogen van eerstejaars hbo verwachten dat ze weten wanneer een voltooid deelwoord eindigt op een -d. ‘Vroeger leerden wij dat al op de lagere school.’ Het geheugen buigt de herinnering. Ja, dat leerden we daar inderdaad. Maar of we het ook allemaal beheersten, het dictee? Ik heb dat pas goed geleerd in de brugklas, van mijn grillige – maar meestal aardige – leraar Nederlands, dhr. Metsaars. Daar is de spelling er minutieus ingeramd.
Ik durf gerust te zeggen: dat gebeurt eigenlijk alleen nog in de hoogste regionen van het voortgezet onderwijs. Als het al gebeurt, ik kom daar niet meer zo vaak. Maar als ik zie waar eerstejaars hbo’ers vandaan komen – mbo, havo, soms vwo – en hoe ze scoren op correct schrijven… dat heeft me verrast. Het roept de vraag op: wat moet je hier dan mee, als je teksten leest, beoordeelt, becommentarieert? Ik lees teksten van uitstekende studenten. Ze willen iets leren en ze maken vorderingen. Ze passen de eenvoudige trucjes uitstekend toe: niet te lange zinnen, werk met een bouwschema, zo schrijf je een inleiding, zo sluit je een brief af. Maar ongeveer de helft schrijft desondanks matig tot slecht. Kromme zinnen. Halve zinnen. Rommelige alinea’s. Het allewoordenlosvanelkaarschrijfsyndroom.
Het ‘nu’ de schuld geven, omdat ‘vroeger’ alles anders was, dat zou flauw zijn. Ik ken genoeg mensen die ouder zijn dan ik en die ook eenvoudige schrijffouten maken. De helft ‘matig tot slecht’ noemen is misschien ook flauw: het is matig tot slecht naar mijn maatstaven. Voor mij was het echt even zoeken: welk niveau mogen we verlangen en hoe zwaar telt een spelfout? Gelukkig kijken mijn opleidingscollega’s hier hetzelfde tegenaan. Correct schrijven weegt zwaar. Punt. Net zo belangrijk als ‘je inleven in de doelgroep’, ‘zakelijk en bondig zijn’, ‘aantrekkelijk formuleren’.
Veel van deze jongens en meiden hebben zich niet gerealiseerd dat lezen en schrijven ongeveer 50% van hun dagelijkse werk wordt. Natuurlijk kunnen ze straks kiezen voor een baan waarin ze zoveel mogelijk schrijfwerk door anderen laten doen. Maar of dat gaat werken? Daarom is het goed dat we in het eerste jaar hbo doen wat we doen: de goeien eruit vissen en een basis meegeven, maar ook de minder getalenteerden teleurstellen. ‘Het zit er niet in.’
Ik gun het ze van harte, die studenten van me. (Behalve die drie die er met hun pet naar gooien natuurlijk, prima gasten m/v, maar zonde!) Morgen hebben ze tentamen. Succes allemaal. En daarna zal ik mild zijn in mijn hoofd, maar streng op papier.
keep looking »


