Bas van Pul

maakt > (web)teksten | websites | muziek

Dooi-aanval

Geplaatst | 14 februari 2012 | Geen reacties

Oorlog en strijd zijn een belangrijk onderdeel van onze taal. Als we een strategie bepalen, een markt veroveren, de degens kruisen, zijn we behoorlijk gewelddadig bezig. Voetbal? Oorlog!

Gisteren stond weer een oorlogszuchtig woordje op mijn vizier. Het zat al een tijdje in de lucht, doemdenkers hadden het al aangekondigd. Ik stapte met mijn dochter naar buiten om naar de kinderopvang te lopen en daar werd ik overvallen door een nietsontziende dooi-aanval.

De dooi-aanval is een bijzondere in het rijtje oorlogstaal. Ik ga hier niet de hele etymologie uitpluizen, maar ik kan me voorstellen dat het oorspronkelijk ‘dooi-inval’ was. Een dooi die invalt is overigens niet minder strijdlustig dan een dooi die aanvalt.

De dooi-aanval roept een paradoxaal beeld op en daarom is het een bijzonder woord. Een gemiddelde strategische of tactische aanval voer je uit om iets te veroveren. Het idee achter een tank-aanval is dat de heuvel aan het eind van de dag vol staat met tanks. De luchtaanval heeft als doel dat de lucht uiteindelijk het territorium is van de aanvallende partij, die daar vervolgens dagelijks vrijelijk in kan rondvliegen. Een grondoffensief van de NAVO betekent dat die bewuste grond binnen niet al te lange tijd vol staat met NAVO-soldaten.

Maar nu de dooi-aanval. Binnen afzienbare tijd (wat een snelheid!) nadat de verzengende dooi zijn offensief is begonnen, is alles weg. Er is niets meer, ook geen dooi. De dooi offert zich op om het vuile werk op te knappen en verdwijnt daarna voorgoed. Logistiek gezien een briljante actie (geen gedoe met oorlogsslachtoffers en terugtrekkende troepen) maar vooral: ontstellend mooi.

Wat werkt, en wie

Geplaatst | 7 februari 2012 | Geen reacties

Jaaaaaaren geleden richtte ik met een collega een internetredactie op. Wij waren beide net aangenomen als webredacteur. Het waren kakelverse functies; er was eindelijk tijd en budget voor een goede inhoudelijke invulling van de website van de organisatie.

Die organisatie werkte behoorlijk verkokerd, zoals dat bij alle organisaties van meer dan 500 werknemers een onvermijdelijkheid lijkt te zijn. De internetredactie moest een evenredige vertegenwoordiging zijn van verschillende zichzelf ongeveer even belangrijk vindende hoofdafdelingen. Een redactie van zeven man, die overigens voor het grootste deel vrouw waren, werd het.

In de praktijk deden drie à vier man/vrouwen het werk. De vierde man beschouwde zich daarbij ook nog eens ‘niet echt’ onderdeel van de redactie, maar hoorde meer bij de technische web-organisatie die ‘in opdracht van onder meer de webredactie structurele verbeteringen doorvoerde aan de website.’

We overlegden wat af (met zijn zevenen) en deden daarnaast bijzonder nuttig werk (met zijn vieren).

Na twee jaar was de kern van drie/vier het beu. Even goede vrienden iedereen, maar als je zitting neemt in een redactie en je komt zelden opdagen omdat ‘je geen tijd hebt’, ‘het geen prioriteit heeft’, ‘je niet wist of de vergadering eigenlijk nog wel doorging’, ‘je baas vroeg of je nog even iets wilde afmaken’, tja. Als je bovendien die paar keer dat je er wél bent in slaap valt, tja.

Bij de eerstvolgende vergadering deden we een afslankvoorstel. We wilden met drie/vier man/vrouw verder gaan. Natuurlijk kon iedereen altijd met vragen of voorstellen bij ons terecht, bladiebla, maar wij zouden dat dan verder met de redactie oppakken.

Er werd wat glazig rondgekeken, iemand schrok wakker.

‘O, dus ik ben nu geen lid meer van de internetredactie?’

Daar kwam het wel op neer. En dat was het. Zonder protest werd het nieuwe voorstel aangenomen en konden we verder met onze afgeslankte redactie, een geöliede machine die volgens mij nog steeds prima functioneert. Bijna de helft van deze club had er de eerste twee jaar net zo goed níet bij kunnen zitten. Is dat gechargeerd? Nee. Is het erg? Niet echt, zo’n redactie moet zich na de oprichting een beetje vormen, er komen wat mensen, er gaan wat mensen, zoiets.

Ik moest weer even aan dit voorval denken toen ik bij een bijeenkomst zat over bezuinigingen. De oplossing om bezuinigingen door te voeren is vaak: reorganiseren. Een deelnemer aan de bijeenkomst merkte op: met bezuinigingen kun je je werkprocessen efficiënter maken. Als organisatie ben je verplicht om steeds naar je processen te kijken.

Wat je niet kunt oplossen met een reorganisatie is de manier waarop mensen werken. Iedereen is eigenlijk ook verplicht om na te denken over zijn eigen bijdrage. Wat voor meerwaarde heb ik voor de organisatie? ‘Maar ja,’ verzuchtte hij ‘een medewerker zal niet zo snel uit zichzelf zeggen: mijn bijdrage is niet meer nodig.’

En zo is het maar net.

Del del del del del

Geplaatst | 28 november 2011 | 1 reactie

“Weet je vroegejjj…”

Zijn accent was oer-Rotterdams. Schrijven kon hij van geen kanten, vond-ie. En als hij het deed, dan deed hij er heel erg lang over. Tegenwoordig ging alles altijd veel te snel.

“En de mensen onthouden niks meer hè? Ze zoeken alles op en het wordt vluchtig. De kennis verdwijnt. Daar maak ik met wel druk over, ja.” Mijn gesprekspartner is een deelnemer het LPB-congres, van het Landelijk Platform voor Buurt- en Wijkgericht Werken. Het serieuze deel van dag 1 was achter de rug, tijd voor borrel en feest. En serieuze gesprekken.

“Maar vroeger mócht dat ook, sterker nog, je móest heel langzaam schrijven. Want daar zat je met je typmachine en je typlint en je was als de dood dat je een fout maakte, want dan kon alles weer helemaal overnieuw. Eerst moest je die zin heel mooi in je hoofd vormen en je moest ook al weten wat erna kwam, want anders was je de hele tijd voor niks aan het tikken.”

Zo was dat.

Mijn typlessen kreeg ik in een stoffig lokaal op een semi-automatische machine. Daar zat al een backspace-knop op, maar die gebruikte je liever niet. Het thuis oefenen op de machine ging niet thuis, maar bij opa en oma, want die hádden tenminste een typmachine. Vroegejjj.

Ik ben geen heilig boontje. De delete-knop is mij dierbaar. Ik ben van het type “eerst typen dan denken”. Globaal zit er iets in het hoofd, aan de slag. O nee, toch niet zo. Del del del del del, opnieuw. Na twee alinea’s kom ik erachter: het accent van dit stuk verschuift, het begin moet toch anders. Del del del del del.

Uit een onderzoek blijkt trouwens dat het (vaker) herschrijven van de beginregels een eigenschap is van gevorderde schrijvers. Leve de delete-knop, schouderklop.

Toch zou ik het een mooie oefening vinden. Typen, of schrijven, zónder dat je je tekst mag corrigeren. Van begin tot eind uitdenken. De structuur moet kloppen. Eerst zin 1, dan zin 2, alles netjes achter elkaar. Niet helemaal de goede volgorde gekozen? Jammer! Begin maar opnieuw of stop ermee. Wat een mooie, overdachte teksten zou dat opleveren. Je voelt de inspanning, onomkeerbaarheid en aandacht die de schrijver in zijn zinnen heeft gelegd.

Ik denk nog even door. SMS? Twitter? Facebook? Als je eraan begint, afmaken zonder correctie. Lullige berichtjes die je toch maar niet besluit te sturen zijn verleden tijd. Ineens kom je er achter hoe achteloos, ongeconcentreerd en slapjes je zelf al die tijd bezig bent met typen en corrigeren. En hoe achteloos anderen dit doen, want je ziet niet meer hun gecorrigeerde, maar hun ongezouten en foute teksten.

Ik schat dat ik tijdens het schrijven van dit artikel veertig keer heb moeten corrigeren vanwege slordig typen en daarnaast zeker twintig, herstel dertig keer woorden heb tussengevoegd, weggelaten of aangepast.

Dat hoort blijkbaar bij de ervaren schrijver. We kunnen niet anders meer. Maar of het er allemaal beter van wordt? Probeer het gewoon eens: vertraag je schrijven, denk na, heb aandacht voor je woorden en je zinnen, corrigeer zo min mogelijk.

Zou je er beter van gaan nadenken? Worden de zinnen mooier? Levert het tijd op? Zou ik mijn eigen teksten beter gaan onthouden? Ik ga het doen. En laat jullie weten wat het oplevert.

Mild in mijn hoofd

Geplaatst | 18 oktober 2011 | 1 reactie

schrijven en hbo-schrijfonderwijs... welk niveau mogen we vragen van studenten?

illustratie: www.babetteharms.nl

Leg je de lat te hoog als je van studenten verlangt dat ze fatsoenlijk spellen? Ik vind van niet. Maar de praktijk is gekleurd in grijze tinten. We mogen van eerstejaars hbo verwachten dat ze weten wanneer een voltooid deelwoord eindigt op een -d. ‘Vroeger leerden wij dat al op de lagere school.’ Het geheugen buigt de herinnering. Ja, dat leerden we daar inderdaad. Maar of we het ook allemaal beheersten, het dictee? Ik heb dat pas goed geleerd in de brugklas, van mijn grillige – maar meestal aardige – leraar Nederlands, dhr. Metsaars. Daar is de spelling er minutieus ingeramd.

Ik durf gerust te zeggen: dat gebeurt eigenlijk alleen nog in de hoogste regionen van het voortgezet onderwijs. Als het al gebeurt, ik kom daar niet meer zo vaak. Maar als ik zie waar eerstejaars hbo’ers vandaan komen – mbo, havo, soms vwo – en hoe ze scoren op correct schrijven… dat heeft me verrast. Het roept de vraag op: wat moet je hier dan mee, als je teksten leest, beoordeelt, becommentarieert? Ik lees teksten van uitstekende studenten. Ze willen iets leren en ze maken vorderingen. Ze passen de eenvoudige trucjes uitstekend toe: niet te lange zinnen, werk met een bouwschema, zo schrijf je een inleiding, zo sluit je een brief af. Maar ongeveer de helft schrijft desondanks matig tot slecht. Kromme zinnen. Halve zinnen. Rommelige alinea’s. Het allewoordenlosvanelkaarschrijfsyndroom.

Het ‘nu’ de schuld geven, omdat ‘vroeger’ alles anders was, dat zou flauw zijn. Ik ken genoeg mensen die ouder zijn dan ik en die ook eenvoudige schrijffouten maken. De helft ‘matig tot slecht’ noemen is misschien ook flauw: het is matig tot slecht naar mijn maatstaven. Voor mij was het echt even zoeken: welk niveau mogen we verlangen en hoe zwaar telt een spelfout? Gelukkig kijken mijn opleidingscollega’s hier hetzelfde tegenaan. Correct schrijven weegt zwaar. Punt. Net zo belangrijk als ‘je inleven in de doelgroep’, ‘zakelijk en bondig zijn’, ‘aantrekkelijk formuleren’.

Veel van deze jongens en meiden hebben zich niet gerealiseerd dat lezen en schrijven ongeveer 50% van hun dagelijkse werk wordt. Natuurlijk kunnen ze straks kiezen voor een baan waarin ze zoveel mogelijk schrijfwerk door anderen laten doen. Maar of dat gaat werken? Daarom is het goed dat we in het eerste jaar hbo doen wat we doen: de goeien eruit vissen en een basis meegeven, maar ook de minder getalenteerden teleurstellen. ‘Het zit er niet in.’

Ik gun het ze van harte, die studenten van me. (Behalve die drie die er met hun pet naar gooien natuurlijk, prima gasten m/v, maar zonde!) Morgen hebben ze tentamen. Succes allemaal. En daarna zal ik mild zijn in mijn hoofd, maar streng op papier.

@basvanpul

Geplaatst | 23 september 2011 | 1 reactie

Dat viel reuze mee. Mijn twitternaam @basz74 is nu gewoon @basvanpul. Wist ik veel dat het zó eenvoudig was om dit te veranderen… en al mijn vrienden verhuizen mee.

What’s in a name. Het verhaal van de -z- voegt weinig toe (erfenisje van @jcmcontext, maar het is te saai en incrowd om dat verder uit de leggen), en die 74, daar ben ik steeds minder trots op. Ik bedoel: dat hoeft echt niet iedereen meer te weten! Welkom pre-midlife-crisis.

Kortom, het is vanaf nu gewoon twitteren geblazen met @basvanpul. Mocht je @basz74 nog ergens tegenkomen, of mocht er een verwijzing naar mijn twitteraccount niet goed werken, laat het me even weten:

“d @basvanpul, zeg jongen, waar is @basz74 gebleven? Op deze site: http://goo.gl/12345 kom ik bij je oude profiel uit. Massol.”

Zoiets.

Dank!

keep looking »
  • Bas =

    Webredacteur, tekstschrijver, schrijftrainer, blogger, twitteraar, muzikant

    Abonneer je op de RSS-feed Follow basz74 on Twitter Bas op LinkedIn
    basvanpul [ at ] gmail [ . ] com


    Blog-updates ontvangen over tekst, internet, muziek en dingen die gebeuren?
    Vul je mailadres in:

    Via FeedBurner

  • Laatste tweets @basvanpul