Bas van Pul

(web)communicatie, advies en tekst

Maarten en Myrabelle

Geplaatst | 9 september 2011 | 1 reactie

Ooit ontlokte ik aan Maarten van Roozendaal de archaïsche woorden: ‘Sta ik op internet joh?’ Mijn knikkende knieën waren net tot rust aan het komen. Ik stelde hem de eerste of tweede vraag van een verder weinig zeggend interview voor een Utrechts studentenblad. We schrijven 1998 of daaromtrent.

Ik frommelde wat kopietjes uit mijn tas en liet het zien. ‘Verrek.’

Anderhalf uur daarvoor was ik gearriveerd op Amsterdam Centraal. Het was nog ongeveer 20 seconden lopen naar restaurant 1e Klas op perron 1. Maar ik zou eens te laat zijn, een trein missen, of twee. Dat mocht in geen geval gebeuren. Niet bij Maarten van Roozendaal.

Maarten had net een Zilveren Harp gewonnen. Dat was totaal aan mij voorbij gegaan. Ik was een fan, geen journalist. Ik kende alle liedjes uit mijn hoofd. Maarten was God en ik mocht aanschuiven aan de goddelijke dis, voor een gesprek van een half uur.

Daar was hij. Een hand. Een glimlach. ‘Keurig op tijd,’ waren zijn eerste woorden. Vreemde woorden vond ik het, natuurlijk was ik keurig op tijd. Blijkbaar was hij anders gewend. Ik voelde mijn keel opdrogen, nu kwam het erop aan. Ik moest vragen gaan stellen.

Maarten bood eigenhandig de oplossing voor beide problemen – de droge keel en het feit dat ik voorlopig geen vraag uit mijn strot zou kunnen krijgen van de zenuwen.

‘Ik ga eerst maar eens een wijntje bestellen, het lijkt wel alsof er iemand constant met een hamer op mijn slapen staat te bonken. Wil jij ook wijn? Doen we een karafje.’

Ik knikte. Mooi. Dorst zouden we niet hebben. Wie had dat gedacht, ik ging om vier uur ‘s middags in Amsterdam wijn zuipen met Maarten van Roozendaal.

‘Was het gezellig gisteren?’

‘Jahaa, dat kun je wel zeggen ja.’

Probleem twee: wat moest ik vragen? Helemaal niks. Maarten ging praten en hield niet meer op.

Al snel had hij door dat hier sprake was van een fan, en niet van een plichtmatige journalist van dagblad De Gelderlander. Na karaf één volgde de tweede. Het uur werd anderhalf uur. Waar al die nummers over gingen. De band met zijn vader – maar daar moest ik maar niet te veel over schrijven. Nee natuurlijk niet, wat interesseerde mij dat interview verder. Hier zat ik met Maarten.

Ik had de cd van mijn bandje ook meegenomen. Ik liet hem zien en hij knikt goedkeurend bij het lezen van de teksten. ‘Namen in een lied, dat doet het altijd goed. Ik ga luisteren! Maar verwacht geen reactie, want daar ben ik niet zo goed in.’

Toen moest hij gaan. En hij ging. Dolblij stapte ik in de trein terug naar Utrecht.

Het studentenblad bleek achteraf gezien mijn excuus om Maarten van Roozendaal te interviewen. Twee nummers erna had ik het alweer gezien. Te vroeg gepiekt zeker. En hoe.

Zometeen zie ik hem weer, in De Duif in Amsterdam. Succes Maarten.

PS, dit is getikt in café Myrabelle. Daar gaat hij vast zijn afzakker nemen met Paul.

Comments

1 reactie op “Maarten en Myrabelle”

  1. Remco
    10 september 2011 om 22:24

    Was de jaloezie om dat gesprek eindelijk een beetje gezakt. Rakelt ie het weer op! Tjees… :-)

  • @basvanpul